woensdag 29 juni 2011

Het Apostelconvent in Jeruzalem (3)

Na de toespraken van Petrus en Jakobus moet het tot een beslissing komen. De stem van de meerderheid wordt gevolgd. Op grond van wat God gedaan heeft en in het licht van de Schrift is dit duidelijk geworden: de strikte interpretatie van de Tora is geen voorwaarde voor het delen in Gods heil, en mag daarom ook niet aan gelovig geworden heidenen worden opgelegd. Want ieder mens wordt behouden uit genade.

Noachidische geboden
Dan volgt het besluit (Hnd. 15:19-21):
‘Daarom ben ik van mening dat we de heidenen die zich tot God bekeren geen al te zware lasten moeten opleggen, maar dat we hun moeten schrijven dat ze zich dienen te onthouden van wat door de afgodendienst bezoedeld is, van ontucht, van vlees waar nog bloed in zit en van het bloed zelf. In haast elke stad wordt de wet van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere sabbat in de synagogen voorgelezen.’

Jakobus’ suggestie om de gemeenten in de diaspora een brief te schrijven wijst zowel op zijn persoonlijke positie als op het gezag van de Jeruzalemse gemeente.
Men oordeelt niet, dat de gelovigen uit de volkeren alleen maar ‘uit de Geest’ behoeven te leven, zonder enige wet. Wat ze aan de gelovigen uit de heidenen voorschrijven, komt in hoge mate overeen met de Noachidische geboden, die door de synagoge werden voorgeschreven aan de ‘godvrezenden’ die met de synagoge meeleefden. Hiervan bestaan verschillende varianten, maar minimaal is: geen afgodendienst, geen seksuele immoraliteit en geen bloedvergieten.
Aan andere geboden uit Tora mag men zich uiteraard ook houden, maar het wordt niet dwingend opgelegd. ‘In haast elke stad wordt de wet van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere sabbat in de synagogen voorgelezen.’
De hier genoemde regels worden door Jakobus mogelijk gezien als een soort samenvatting van de Tora en de andere geboden zijn voor iedereen toegankelijk.
De brief van Jakobus aan de gelovigen in de diaspora vertoont qua vorm en stijl grote overeenkomst met Rabbijnse encyclieken en heeft groot gezag. Eind 2e Eeuw zijn deze voorschriften in elk geval nog bindend in de Rhonevallei (aldus Eusebius) en in de provincie Africa (Noord-Tunesië en de kust van Libië).
De gemeente van Antiochië vindt de brief zeer bemoedigend (vs 31).
Een belangrijke conclusie van het Apostelconvent is, dat de Tora geenszins heeft afgedaan, maar heidenen die in de Messias zijn gaan geloven geen Joden behoeven te worden.

Geen opmerkingen: