Handelingen 21
Paulus arriveert vanuit Macedonië en Klein-Azië in de havenstad Caesarea; hij bereikt het Joodse land ongeveer een week vóór Sjawoe’ot, een van de drie feesten waarop velen naar Jeruzalem opgaan.
Er worden verschillende profetieën gegeven over wat hem in Jeruzalem te wachten staat: hij zal gearresteerd worden en in handen vallen van de heidenen. Paulus laat zich echter door niets weerhouden om toch naar Jeruzalem te gaan.
In Jeruzalem wacht hem een warm welkom, de broeders ontvangen hem met vreugde. Paulus krijgt te horen, dat er tienduizenden (‘myriaden’ in het Grieks; wellicht een overdrijving, maar duizenden waren het er ongetwijfeld) Joden zijn die in Messias Jezus geloven en dat zij allen vol overtuiging volgens de Tora leven (vs 20). Nu is het gerucht verspreid dat Paulus zou oproepen tot ontrouw aan Mozes. De leiders van de Gemeente in Jeruzalem vragen Paulus om die geruchten te ontzenuwen door met vier nazireeërs van wie de periode van hun gelofte afloopt mee te gaan naar de Tempel en de voorgeschreven zaken daar met hen te regelen, zodat iedereen kan zien dat ook hij doet wat de Wet voorschrijft; Paulus gaat daarmee akkoord. Verder wordt nog eens herhaald wat ze na het Apostelconvent geschreven hebben aan de heidenen die het geloof hebben aanvaard: ‘dat ze zich in acht moeten nemen voor vlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, voor bloed, voor vlees waar nog bloed in zit, en voor ontucht’ (vs 25).
Joden uit Klein-Azië die Paulus in de Tempel herkennen, veroorzaken opschudding en beschuldigen Paulus ervan, dat hij zich aldoor tegen de Joodse Wet keert en dat hij de Tempel ontheiligt. Dat is een zeer ernstige beschuldiging, hij wordt neergezet als een afvallige. Dat is pure laster.
Op het ontwijden van de Tempel staat zeker de doodstraf. Paulus wordt de Tempel uit gesleurd; hij wordt niet overgeleverd aan de Romeinen, maar die grijpen uit eigen beweging in. De tribuun van de in Jeruzalem gelegerde cohort (volgens Hnd. 23v heet de man Claudius Lysias) is verantwoordelijk voor het herstel van de orde. Hij weet te voorkomen, dat Paulus in het tumult gelyncht wordt en laat hem arresteren. Ze nemen hem mee ‘naar de kazerne’, naar de burcht Antonia; dan blijkt dat men hem hield voor een bekende opstandeling, een Egyptenaar (Josephus maakt melding van iemand uit Egypte die beweerde dat hij een profeet was). Hij is echter geen Zeloot, maar wel een ijveraar voor de Tora en voor God. Paulus maakt zich bekend als een eenvoudige Jood en vraagt toestemming om het volk te mogen toespreken; die wordt hem verleend. Hij spreekt ze toe in het Hebreeuws, de heilige taal van de Schriften, en niet in de Aramese volkstaal, wellicht om zijn trouw aan de Tora te onderstrepen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten