maandag 20 juni 2011

De kwestie Stefanus

Stefanus draagt, net als zijn zes collega’s in het begin van Hnd. 6, een Griekse naam. Dit hoeft niet persé te betekenen dat zij allen uit de diaspora kwamen; het geven van Griekse namen was ook in het land Israël al in gebruik.
In Handelingen 6:9 wordt gesproken over de zogenaamde Synagoge der Vrijgelatenen; kennelijk vrijgelaten slaven. De Talmoed geeft sterke aanwijzingen, dat Hebreeuwse slaven in de Tweede Tempelperiode in het land Israël niet voorkwamen. Die moesten volgens de Tora in het Jubeljaar worden vrijgelaten, maar het Jubeljaar werd niet meer gehouden. Niet-Joodse slaven waren in de hellenistische tijd volop beschikbaar. Heidense slaven die zich tot het Jodendom bekeerden werden kinderen van het verbond, maar behoorden niet volledig tot de gemeenschap van Israël, ze hadden een lage status; vrijgelaten slaven vormden afzonderlijke groepen met hun eigen synagogen.
Tot de Synagoge der Vrijgelatenen behoorden ongetwijfeld voormalige Joodse gevangenen uit Rome en hun nakomelingen, en volgens Lukas ook mensen uit Cyrene (het oosten van Libië, waar een zekere Simon vandaan kwam), de Egyptische stad Alexandrië, Cilicië en Asia (beide in het huidige Turkije).
Deze mensen zijn verontwaardigd over de prediking van Stefanus, maar hebben geen weerwoord; ze kunnen niet op tegen zijn Geestkracht en zijn wellicht jaloers. Het is goed mogelijk, dat ze tot de conclusie komen dat hij (net als Jezus) rebelleert tegen het gezag van de Farizeeërs en Schriftgeleerden. Ze huren valse getuigen in die zeggen: Deze man keert zich steeds weer tegen de tempel en de wet, want we hebben hem horen zeggen dat Jezus uit Nazaret de heilige plaats zal afbreken en de gebruiken die Mozes ons heeft overgeleverd zal veranderen (vs 13v). Ze nemen hem gevangen en leiden hem voor het Sanhedrin. Zijn verdediging bestaat uit een navertelling van een deel van de geschiedenis van Israël, te beginnen bij Abraham.
Hij maakt in elk geval duidelijk dat hij niet tegen de Tora is, want uiteindelijk werpt hij zijn hoorders voor de voeten: ‘Halsstarrige ongelovigen, u wilt niet luisteren en verzet u steeds weer tegen de heilige Geest, zoals uw voorouders ook al deden. Wie van de profeten hebben uw voorouders niet vervolgd? Degenen die de komst van de Rechtvaardige aankondigden hebben ze gedood, en zelf hebt u nu de Rechtvaardige verraden en vermoord, u die de wet ontvangen hebt door tussenkomst van de engelen, maar er niet naar hebt geleefd.’ Dit is precies de pointe van zijn betoog: door Jezus als de Messias te verwerpen, verwerpen zij Gods aanwezigheid. 'Hardnekkig' is een kwalificatie die het volk in de Tenach vaak krijgt als ze in opstand komen tegen God. Stefanus’ beschuldiging aan het adres van de leiders van het volk is in overeenstemming met de woorden van Jezus in Joh. 5:45-47: ‘U moet niet denken dat ik u bij de Vader zal aanklagen; Mozes, op wie u uw hoop hebt gevestigd, klaagt u aan. Als u Mozes zou geloven, zou u ook mij geloven, hij heeft immers over mij geschreven. Maar als u niet gelooft wat hij geschreven heeft, hoe zou u dan geloven wat ik zeg?’
Het gevolg is dat zij razend worden. Als Stefanus er dan nog in geestvervoering aan toevoegt, dat hij de hemel geopend ziet en Jezus aan de rechterhand van de Vader, ontsteken zij in woede en slepen hem de stad uit en stenigen hem. Het vonnis luidt: Godslastering.
Lukas introduceert terloops Sjaoel, die op de mantels past. Die stemt in met de terechtstelling. Op die dag begint een grote vervolging tegen de gemeente in Jeruzalem en raken zij verstrooid over heel het land; een direct gevolg hiervan is, dat het Evangelie buiten Jeruzalem verspreid wordt.

Geen opmerkingen: