Het romeinse leger stond bekend als een oase van godsdienstvrijheid, waarbinnen velen hun lokale goden bleven vereren.
De centurio Cornelius wordt ‘vroom en godvrezend’ genoemd (Hnd. 10:2), evenals zijn huisgenoten; dit kan betekenen dat hij een gezin had, het kan ook slechts op personeel / slaven betrekking hebben. Een van de mannen die hij naar Joppe zendt is een soldaat die ook ‘vroom’ genoemd wordt (vs 7).
Terwijl hij in gebed is, wordt hij door een engel toegesproken.
Het is opmerkelijk dat de ‘apostel der besnedenen’ (Gal. 2:7, 9) naar de heiden Cornelius wordt gezonden. Petrus’ sterke antipathie schijnt overigens niets te maken te hebben met het feit dat hij onbesneden is; hij wil niet cultisch onrein worden door bij heidenen binnen te gaan en met hen te eten (kans op afgodendienst).
Dat Petrus zo strikt was in wat onheilig / onrein is, is moeilijk te begrijpen; hij is geen Farizeeër en komt uit ‘Galilea der heidenen’. Een zelotische achtergrond zou enige verklaring kunnen bieden.
De stem in het visioen verklaart de betekenis: ‘Wat God rein heeft verklaard, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen’ (vs 15). In zijn toespraak tot Cornelius en de zijnen zegt Petrus zelf: ‘U weet dat het Joden verboden is met niet–Joden om te gaan en dat ze niet bij hen aan huis mogen komen, maar God heeft me duidelijk gemaakt dat ik geen enkel mens als verwerpelijk of onrein mag beschouwen’ (vs 28).
Ook heidenen worden gedoopt in de Heilige Geest en vervolgens ook met water. Terug in Jeruzalem (hoofdstuk 11) moet Petrus zich wel verantwoorden voor wat hij gedaan heeft. Zijn verklaring, dat het initiatief volledig bij de Heer lag, stelt hen gerust en leidt tot lofprijzing, omdat God dus ook de heidenen de kans geeft om zich te bekeren en het nieuwe leven te ontvangen (vs 18).
Geen opmerkingen:
Een reactie posten