uit de Introductie op ‘A Commentary on the Jewish Roots of Acts’:
Elke brief in het Nieuwe Testament is geschreven met het oog op bepaalde problemen in een specifieke gemeente of weerspiegelt de relatie van de apostel met een specifieke gemeenschap.
Een van de hoofddoelen van Handelingen is het verklaren van de verhouding tussen de Joodse en de heidense onderdelen van de gemeente, en het verzoenen van de bediening van Paulus en die van Petrus.
Het boek kan in belangrijke mate gezien worden als een pleidooi voor vrede tussen Joden en heidenen in het Lichaam van de Messias. Hoofdstuk 15, dat hierover gaat, deelt het boek in tweeën.
Het boek wekt de indruk geschreven te zijn om de volgende doelen te dienen:
1) de geldigheid en gelijkwaardigheid van de bediening van Petrus en die van Paulus aantonen
2) de bediening onder de heidenen in het juiste perspectief plaatsen met respect voor de gemeente van Jeruzalem
3) laten zien dat de bediening onder de heidenen deel uitmaakt van Gods plan vanaf het begin en door Jezus zelf is opgedragen
4) uitleggen dat de goddelijke opdracht om het Evangelie te prediken aan te heidenen op geen enkele wijze een bedreiging vormt voor de Joodse identiteit van de apostolische missie of het naleven van de Tora en de Joodse traditie. Tot het laatst toe (28:17) benadrukt Paulus, dat hij niets heeft ‘misdaan tegen ons volk en de gebruiken van onze voorouders niet heb geschonden.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten