Nadat Petrus de vergadering heeft toegesproken, leggen Barnabas en Paulus getuigenis af van de grote tekenen en wonderen die God door hen onder de heidenen heeft verricht.
Dan neemt Jakobus het woord. Jakobus de zoon van Zebedeüs is door Herodes Agrippa I terechtgesteld (vanwege zijn goede connecties met Caligula regeerde hij van het jaar 41-44 over geheel Judea); hier hebben we te maken met Jakobus ‘de broeder des Heren’, bijgenaamd ‘De Rechtvaardige’ (aldus Eusebius, die het van Hegesippus heeft). Deze geldt als de leider van de gemeente van Jeruzalem (zie Hnd. 12:17, 21:18; Gal. 1:19, 2:9, 12).
De ‘uiteenzetting’ van Simon (Petrus) betekent de praktische toepassing van een halachisch principe (een ma’aseh, een alternatief voor een midrasj (schriftelijke interpretatie)); Jakobus refereert alleen aan het handelen van Petrus met Cornelius; de tekenen en wonderen waar Barnabas en Paulus over spreken zijn een extra zaak die de juistheid hiervan bevestigen. De kracht van de ‘case’ ligt in de directe tussenkomst van God Zelf; als God Zelf bevestigd heeft, dat ‘iedereen, uit welk volk dan ook, die ontzag voor Hem heeft en rechtvaardig handelt’ (10:35) welkom is bij Hem, hoeft er niet naar een hogere autoriteit gezocht te worden.
Dit wordt volgens Jakobus ondersteund door de profeten; en niet meer dan dat, want volgens de Talmoed is een hermeneutische regel, dat alleen de Tora een gezaghebbende bron is voor de halacha (letterlijk: 'weg', de geboden uit de Tora plus de interpretatie daarvan), en dat de profeten geen nieuwe halachot kunnen introduceren.
Wat Jakobus aanhaalt is een samengesteld citaat van Amos 9:11v, Jesaja 45:21 en Jeremia 12:15. De ‘hut van David’ die God zal herstellen, verwijst voor hem naar de Messiaanse tijd waarin God het koningschap van David zal herstellen, over heel Israël èn de buurvolken.
Volgens de masoretische tekst van Amos 9:12 ‘zal Israël in bezit nemen wat er nog rest van Edom en van alle volken die Mij eens toebehoorden – zo spreekt de HEER’. De Septuaginta leest ‘Adam’ in plaats van ‘Edom’, en een werkwoord met één letter verschil, waardoor de tekst luidt: ‘zodat de mensen die overgebleven zijn de Heer zullen zoeken, evenals alle heidenen over wie mijn naam is uitgeroepen – zo spreekt de HEER’; en Jakobus voegt eraan toe (uit Jesaja 45:21) ‘die dit heeft aangekondigd van oudsher’, waarmee hij wil laten zien, dat Gods belofte voor de heidenen zelfs dateert van vóór de profeten!
Jakobus komt vervolgens tot de conclusie, dat ze het niet beter moeten willen weten dan God (vgl. vers 10) en het de heidenen niet moeilijker moeten maken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten