... aldus Rabbi Sja’oel, later bekend onder de naam Paulus, in Romeinen 3:2.
Het ligt voor de hand, dat wanneer we kijken naar de manier waarop het Joodse volk in zijn geschiedenis de Schriften uitlegde, dit ons inzicht zal vergroten.
Paulus was een leerling van de grote leraar Gamaliël (Handelingen 22:3), dezelfde die in Handelingen 5:38v het Sanhedrin het advies geeft de apostelen ongemoeid te laten, want: ‘als het mensenwerk is wat ze nastreven, zal het op niets uitlopen, maar als het Gods werk is, zult u niets tegen hen kunnen uitrichten, of het zou weleens kunnen blijken dat u tegen God strijdt.’
Deze Gamaliël was een kleinzoon van de beroemde Hillel (ca. 50 v.Chr. - ca. 10 n.Chr.), grondlegger van een van de beroemdste Joodse leerscholen. Diens uitgangspunt was naastenliefde en tolerantie; hij hanteerde de gulden regel Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet.
Paulus heeft de kennis, die hij bij Gamaliël had opgedaan, nadat hij Jezus heeft aangenomen niet weggeworpen, maar veelvuldig benut in zijn brieven. Hij gaat op dezelfde voor ons moeilijk te volgen wijze om met de Schriften als de Farizeeën. De rabbijnse redeneertrant is op vele plaatsen terug te vinden in zijn brieven.
Hillel codificeerde zeven hoofdregels voor de uitleg van de Tora. De interpretatieregels die gebruikt werden door alle Joodse uitleggers van de Wet en de Profeten, worden ook gehanteerd door de auteurs van het Nieuwe Testament.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten