woensdag 15 juni 2011

De Joodse leiders in Jeruzalem en de Messiaanse beweging

Handelingen 3-4
Petrus en Johannes hebben bij de 'Schone Poort' een verlamde opgericht in de Naam van Jezus de Messias. Terwijl zij prediken tot de samengestroomde menigte, worden ze opgepakt door ‘de priesters, het hoofd van de tempelwacht en de Sadduceeën’, die hevig ontstemd zijn omdat ze het volk onderrichtten en de opstanding uit de dood verkondigden op grond van wat er met Jezus was gebeurd (4:1v). Zoals bekend geloofden zij, in tegenstelling tot de Farizeeërs, niet in de Opstanding; en ze zijn bang de schuld voor de dood van Jezus in de schoenen geschoven te krijgen.
De tempelwachters zijn verantwoordelijk voor de openbare orde op het tempelterrein. Een messiaanse beweging kan tot ongeregeldheden leiden èn kan een bedreiging vormen voor de positie van de Sadduceeën, tot wie het hogepriesterlijk huis behoorde. Begrijpelijk, dat degenen die medeverantwoordelijk waren voor de vervolging van Jezus op hun hoede zijn voor eventuele problemen veroorzaakt door zijn volgelingen.
Volgens Flavius Josephus, zelf priester èn Farizeeër, waren de Sadduceeën harteloos, en onbeleefd. In tegenstelling tot de Farizeeërs waren zij bij het volk impopulair.
Ze waarschuwen hen en verbieden hun nog de Naam van Jezus te gebruiken. Maar Petrus en Johannes antwoorden, dat ze niet anders kunnen. Na hen nogmaals dreigend te hebben toegesproken lieten ze hen vervolgens maar vrij, want ze wisten niet hoe ze hen konden straffen.

Handelingen 5
Steeds meer mensen komen tot geloof en de apostelen verrichten veel wonderen in het Tempelcomplex (vs 12vv). De hogepriesters en Sadduceeën besluiten in te grijpen en zetten hen vast, ‘uit jaloezie’. Maar door een (de?) engel des Heren worden ze uit de gevangenis bevrijd; als men ze de volgende morgen voor het Sanhedrin wil leiden, staan ze al weer te prediken. Men laat hen ophalen en roept hen ter verantwoording voor het overtreden van het verbod om nog de naam van Jezus te gebruiken; en dat ze hen ‘verantwoordelijk willen stellen voor de dood van deze man’. (N.B.: ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’ Mt. 27:25).
Het antwoord van de apostelen: Men moet God meer gehoorzamen dan mensen; en Petrus bevestigt, dat het Sanhedrin verantwoordelijk was voor de dood van Jezus en voegt eraan toe dat God Hem verhoogd heeft als Leidsman en Redder. Dit veroorzaakt grote woede en ze willen hen doden, maar dan treedt Gamaliël op (later zou hij voorzitter van het Sanhedrin geweest zijn, dat hier wordt voorgezeten door de hogepriester Kajafas). Deze man genoot een buitengewoon aanzien; tijdgenoten zeiden: Toen rabbi Gamaliël stierf, stierf de glorie van de Tora en stierven vroomheid en zuiverheid.
Hoewel Gamaliël waarschijnlijk geen voorstander is van de Jezusbeweging, is het karakteristiek farizeïsch om er op tegen te zijn om messiaanse en profetische bewegingen met geweld de kop in te drukken, alsmede om een Joodse volksgenoot aan de Romeinen over te leveren. Gamaliël zegt: 'Houd u afzijdig van deze mensen en laat hen begaan, want als het mensenwerk is wat ze nastreven, zal het op niets uitlopen, maar als het Gods werk is, zult u niets tegen hen kunnen uitrichten, of het zou weleens kunnen blijken dat u tegen God strijdt' (vs 38v). Wellicht zag hij in hun wonderbaarlijke bevrijding uit de gevangenis een teken, dat God wel eens aan hun kant zou kunnen staan. ‘Laat het oordeel maar aan God over’ is de conclusie.
Wel worden ze gegeseld, de standaard straf voor belediging van het Hof.

N.B.: In beide verhalen zijn het met name de Sadduceeën die problemen hebben met de verkondiging van de apostelen; net zoals met name zij in het Evangelie van Jezus af willen.

Geen opmerkingen: