maandag 27 juni 2011

Het Apostelconvent in Jeruzalem (1)

In Handelingen 1:8 had de Heer zijn leerlingen al opgedragen om getuigen te zijn in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria ‘en tot de uiteinden van de aarde’.
Bij de doorbraak op de Pinksterdag in Handelingen 2 wordt de hele aarde gerepresenteerd door joden en ‘jodengenoten’ (niet-joden die zich bij de Joden hebben aangesloten). Maar voor het zover komt, dat ze vanuit Jeruzalem naar de heidenen toegaan, moet God Zelf in een visioen Simon Petrus ervan overtuigen dat hij niet voor onheilig mag houden hetgeen God rein verklaard heeft. In Handelingen 11 vernemen we dat de gemeente van Jeruzalem accepteert ‘dat God ook de heidenen de bekering ten leven geschonken heeft’, men kan er zelfs wel blij om zijn, maar daar blijft het bij. De echte doorbraak vindt elders plaats: in Antiochië.
De gemeente van Jeruzalem behoudt haar Joodse identiteit en in Handelingen 21:20 wordt benadrukt dat (tien)duizenden bekeerlingen ‘ijveraars voor de Tora’ zijn. Als dat ons verbaast, zegt dat meer over de vooroordelen, zoals die in de loop van een eeuwenlange geschiedenis van vervreemding tussen Kerk en Israël gegroeid zijn, dan over het getuigenis van het Nieuwe Testament. In het boek Handelingen is van deze verbazing niets terug te vinden!

Als er leerlingen uit Judea naar Antiochië komen, die betogen dat de bekeerlingen zich moeten laten besnijden en dat ze anders niet kunnen worden gered, leidt dit tot grote onenigheid met Paulus en Barnabas. Besloten wordt dat Paulus en Barnabas, samen met enkele andere leerlingen, naar Jeruzalem gaan om deze kwestie voor te leggen aan de apostelen en de oudsten.
In Jeruzalem zijn er gelovigen uit de Farizeeën die benadrukken, dat heidenen die tot het geloof in de Messias komen, zich moeten laten besnijden. Zij hebben er geen moeite mee dat heidenen tot geloof komen, maar ze kunnen het er niet mee eens zijn dat die heidenen vervolgens niet het teken van het verbond ontvangen. Overigens bestonden onder de Farizeeën uiteenlopende houdingen ten aanzien van gelovige heidenen: variërend mensen die deze 'Godvrezenden' accepteerden tot diegenen die verlangden dat zij een volledige bekering ondergingen.
Dan neemt Petrus het woord, die ongetwijfeld herinnerd wordt aan de geschiedenis van Cornelius en hetgeen de Heer hem in dat visioen had laten zien. Hij neemt het op voor Paulus en Barnabas. In Hnd. 15:11 horen we hem zeggen, dat men in Jeruzalem gelooft op dezelfde wijze behouden te worden als de heidenen die onder de prediking van Paulus het evangelie aanvaard hebben: uit genade.
Na Petrus neemt ook Jakobus het woord. Hij gaat in op de vraag of dit wel in overeenstemming is met de Schrift. Je kunt wel menen God aan het werk te zien in de gebeurtenissen om je heen, of in de geschiedenis, maar je kunt je ook vergissen; de beslissende vraag is of iets Schriftuurlijk is. Jakobus heeft niet zelf meegemaakt wat God Petrus heeft bijgebracht, en daarom moet hij - net als wij nu - terugkoppelen naar de Schriften.

Geen opmerkingen: