Het boek Handelingen vermeldt geen naam van een auteur. Ook het derde Evangelie, dat onmiskenbaar van dezelfde schrijver is, verschaft hierover geen informatie.
De samenhang van deze twee geschriften wordt formeel tot uiting gebracht in de prologen waarin beide boeken volgens hellenistische gewoonte aan de lezer worden gepresenteerd.
De auteur betoont zich een bedreven stilist in de Griekse taal en verklaart tevens hoe zorgvuldig hij te werk is gegaan. De Theofilus aan wie beide geschriften worden opgedragen is verder onbekend. Hij wordt aangesproken als een hoogwaardigheidsbekleder (zoiets als: excellentie); blijkbaar is deze man met het Evangelie in aanraking gekomen en vindt de auteur het noodzakelijk om hem van betrouwbare en stilistisch verantwoorde schriftelijke informatie te voorzien.
In de Canon muratori, een lijst van rond het jaar 200 die aangeeft welke geschriften door de Kerk als gezaghebbend worden beschouwd, wordt gedacht aan Lukas, ‘de geliefde arts’ (Kol. 4:14), een medewerker van Paulus.
Ongeveer een eeuw later noemt Eusebius (Historia Ecclesiastica) ook Lukas de arts als de auteur van beide geschriften en hij vermeldt erbij, dat deze uit Antiochië afkomstig is. Hiervoor pleit de tekstvariant van Codex Bezae (D) in 11:28, waar van een samenkomst in Antiochië gezegd wordt: ‘toen wij samengekomen waren’. Dat veronderstelt de aanwezigheid van de auteur bij deze samenkomst in Antiochië. In andere handschriften spreekt de schrijver in de wij-vorm vanaf 16:10.
Volgens veel latere tradities is Lukas een heiden, een niet-Jood. Dit is in overeenstemming met de groetenlijst in Kolossenzen 4, waar in vers 10v gezegd wordt dat Aristarchus, Markus en Jezus Justus op dat moment de enige Joodse medewerkers van Paulus zijn; daarna worden Epafras, Lukas en Demas vermeld, die dus kennelijk geen Joden zijn. In dat geval is Lukas de enige niet-Joodse schrijver van het Nieuwe Testament.
Opvallende kenmerken in de twee geschriften van Lukas:
(1) de positieve houding ten opzichte van het Jodendom en de Tora (nadruk op de wetsgetrouwheid van alle personages in Lukas 1 en 2; verder worden de Farizeeërs veel positiever afgeschilderd dan in de andere evangeliën). Nadrukkelijk worden Jezus en zijn discipelen en ook Paulus getekend als wetsgetrouw.
(2) de aandacht voor de rol van godvrezende niet-Joden zoals de anonieme centurio in Lk. 7 en de centurio Cornelius in Hnd. 10; en een derde centurio, de bevelvoerder tijdens de kruisiging komt met een opvallend getuigenis aangaande Jezus: ‘Waarlijk, deze man was rechtvaardig’ (Lk. 23:47).
Jezus heeft dan ook gezegd, dat de verkondiging vanuit Jeruzalem zal uitgaan naar de heidenen (Lk. 24:47v) en dat de apostelen zijn getuigen zullen zijn in Jeruzalem, Judea en Samaria, en "tot het einde van de aarde" (Hnd. 1:8), in die volgorde. Rode draad in het boek Handelingen is de verkondiging van het Evangelie aan alle volken, vanuit Jeruzalem.
Kortom: hoofdthema’s in het tweeluik van Lukas zijn de positieve betekenis van de Tora (en het genuanceerde beeld van de Farizeeën) plus een respectvol samenleven van Joodse en niet-Joodse gelovigen.