maandag 16 mei 2011

Messiaanse beweging

De beweging zoals we die nu kennen doet vooral vanaf 1967 van zich spreken. 1967 is het jaar waarin de Oude stad van Jeruzalem voor het eerst in 20 eeuwen onder Joods bestuur kwam. Dat doet velen denken aan de profetie van Jezus (Lk. 21:24), dat ‘Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, totdat de tijd van de heidenen vervuld is.’ Het is verleidelijk n.a.v. dit teken van de Eindtijd de Messiaanse Beweging als iets nieuws te zien. Maar veeleer is er sprake van een opleving in een proces dat al langer bezig was.
Altijd zijn er Joden geweest die geloofden dat Jezus de Messias was, maar in het algemeen was het christendom toch de grote vijand van het jodendom. Het christendom beheerste de maatschappij en Joden waren op z’n best tweederangs burgers.
In de tijd van de Franse Revolutie kregen Joden gelijke burgerrechten: zij mochten zich vrij verplaatsen en vestigen en kregen toegang tot alle sectoren van de samenleving. In de loop van de 19e Eeuw gaan steeds meer landen in Europa hiertoe over.
Hoe moest men in deze veranderende omstandigheden, zonder het isolement van het getto, inhoud geven aan de Joodse identiteit?
Sommigen hielden vast aan het orthodoxe rabbijnse Jodendom; anderen gingen helemaal op in de omringende cultuur en waren hiervan nauwelijks meer te onderscheiden (assimilatie). De meesten kozen voor een tussenweg en er ontstonden allerlei nieuwe stromingen, die de religie veelal tot een privézaak maakten.
Een andere respons was meer politiek van aard: het zionisme, dat het streven naar een nationaal volksbestaan in het land van de vaderen zag als het enige antwoord op de immer aanwezige dreiging van Jodenhaat.

Vóór de emancipatie probeerde de Kerk Joden tot bekering te dwingen. ‘Bekeerde Joden’ werden vervolgens door zowel Joden als christenen gewantrouwd. Wonderlijk genoeg, nam ná de emancipatie de vrije interesse voor het christelijk geloof juist toe! In de tijd van de emancipatie ontstond een nieuwe vorm van zending onder Joden, dit keer vanuit het protestantisme, en niet uit dwang maar uit liefde. Piëtisten en Puriteinen geloofden in de profetie en in een blijvende plaats van het Joodse volk in Gods heilsplan. Deze nieuwe zending had haar basis in Engeland (‘Hebrew christians’), maar verspreidde zich over geheel Europa. Ze behelsde een herwaardering van het Jood-zijn in plaats van dit af te keuren. Dit droeg bij aan hun succes. Naar schatting gingen in Europa in de 19e Eeuw meer dan 200.000 Joden in Jezus geloven. Later zijn die moeilijk terug te vinden; velen zijn door de kerken meestal toch geassimileerd (en 'het ontbrekende kan niet geteld worden', Prediker 1:15); verder werden veel ‘niet-arische christenen’ door de nazi’s uitgeroeid.