De pioniers hebben de weg gebaand. Maar voor hun werk werkelijk vruchten ging afwerpen, kwam de Sjoa. Vóór de Tweede Wereldoorlog waren in Europa (met name in Oost-Europa) tienduizenden Joden tot geloof in de Messias gekomen. Daar is na de oorlog maar heel weinig van over. De nazi’s en hun handlangers hebben ook onder hen vreselijk huisgehouden. Daarover is niet veel gedocumenteerd. Met de dood voor ogen hebben zij vaak vrijmoedig hun geloof beleden. Volgens een overlevende uit Theresienstadt was 10% van de Joden daar christen.
Joodse christenen hebben zich tijdens de oorlog volop ingezet om volksgenoten te redden van de nazi’s. Dit leidde tot grote openheid en diverse bekeringen; ook kwamen er Joden tot geloof in de Messias door het getuigenis van niet-joodse christenen die hen hulp boden. Daar wordt vaak laatdunkend over gesproken, alsof men van de zwakke positie van Joden misbruik gemaakt zou hebben. Achteraf valt daar moeilijk een oordeel over te vellen; er zullen ook bekeringen uit oprechte overtuiging geweest zijn.
De overlevenden zijn voor het merendeel naar Israël en Amerika geëmigreerd, omdat ze vanwege het voortlevende antisemitisme in Europa en ook in de Joodse gemeenschap niet geaccepteerd werden.
Na de Sjoa stagneerde de ontwikkeling van het Joodse christendom.
In Oost-Europa grepen de communisten de macht en onderdrukten alles wat met het evangelie (en andere religie) te maken had. De meeste Joden kozen uit lijfsbehoud voor assimilatie.
In Europa, maar ook in Amerika en in Israël gingen de allianties van Hebreeuwse Christenen als een kaarsje uit; ze vergrijsden. Messiasbelijdende Joden assimileerden in bestaande kerken. En de grote kerkgenootschappen verloren na de Sjoa uit zelfkritiek iedere interesse in zending onder de Joden. De meeste christenen vonden dat ze hun recht van spreken verloren hadden.