In de 19e en 20e Eeuw zijn er regelmatig Joden die zijn gaan geloven, dat Jezus de Messias is; maar in de meeste gevallen is er geen sprake van, dat ze zich tot het christendom willen bekeren. Ze willen Messiasbelijdende Joodse gemeenten stichten, in Engeland, in Amerika, in Moldavië; soms met veel succes. In het Mandaatgebied Palestina zijn er die de oorspronkelijke gemeente willen herstellen; in 1849 wordt in de Oude Stad Christ Church gesticht: een initiatief vanuit de evangelicale vleugel van de Anglicaanse Kerk ten behoeve van het Joodse volk dat terugkeert naar het land van de vaderen.
In veel gevallen is de tijd er nog niet rijp voor en worden ze tegengewerkt door kerken, die willen dat ze opgaan in bestaande denominaties.
Naast (1) de zending, (2) de ‘hebreeuwse christenen’ en (3) ‘Joods-christelijke gemeenten’ zijn er ook nog (4) enkele ‘pioniers’ die met hun geloof in de Messias geheel op het Joodse erf wilden blijven; wat zij wilden was Jezus als het ware terugbrengen bij zijn eigen volk.
Ignatz (Isaäc) Lichtenstein (1824-1909) was een orthodoxe rabbi in Hongarije, die op grond van de levenswandel van naamchristenen om hem heen meende, dat Jezus een aartsvijand van het Jodendom was, maar toen hij in contact kwam met Schotse evangelisten zijn mening moest herzien. Hij meende in het Nieuwe Testament ‘het ware Jodendom’ te hebben gevonden en ging in de synagoge verkondigen dat hij de Messias had gevonden. Zowel christenen als Joden vonden, dat hij zich moest laten dopen en zich openlijk tot het christendom bekennen, maar dat weigerde hij, want hij wilde niet toetreden tot de Kerk, maar bij de synagoge blijven. Dit heeft hij twaalf jaar volgehouden en hij is nog jaren als rabbijn blijven functioneren. Uiteindelijk heeft hij kort voor zijn dood op 84-jarige leeftijd in een mikwe (ritueel bad) zichzelf gedoopt.
Daniel Zion (1900-1979) werd geboren in Tessalonica. Hij gaf gehoor aan een oproep van de Bulgaars-Joodse gemeenschap die dringend behoefte had aan rabbijnen en bracht het daar tot opperrabbijn. Toen tot drie keer toe Jezus hem in een visioen verscheen wisten hij noch andere rabbijnen daar raad mee. Een grieks-orthodoxe geestelijke adviseerde hem de Kerk te vergeten, maar zich wel op Jezus te focussen. Dat heeft hij gedaan, maar hij stond als rabbijn zo hoog in aanzien, dat niemand in de Joodse gemeenschap hem openlijk bekritiseerde.
De koning van Bulgarije was een bondgenoot van Hitler. In 1943 kwamen deportaties op gang. Zion schreef een brief aan de koning, dat Jezus hem waarschuwde de rest van de Joden niet aan de nazi’s uit te leveren; daardoor bleven ze gespaard. Na de oorlog werd Zion weer gewoon opperrabbijn over het overblijfsel van de Joodse gemeenschap; in 1949 maakte dit overblijfsel in z’n geheel aliya, hieronder ook de familie Shulam.
In Israël moest Zion zich in 1954 voor de rabbijnse rechtbank voor zijn geloof verantwoorden en werd hem zijn rabbijnstitel ontnomen. De Bulgaarse Joden bleven hem echter trouw.
Als opperrabbijn van Bulgarije die velen uit handen van de nazi’s had gered, was hij de eerste Messiaanse Jood die een staatsbegrafenis kreeg.
Mosje Immanuel Ben-Meir (1905-1978) groeide op in de charedische (ultraorthodoxe) gemeenschap in de Oude Stad van Jeruzalem. Op jonge leeftijd vond hij op straat een traktaatje en leerde Jezus kennen als de Messias. Van 1921-1925 was hij betrokken bij een mislukte poging om in Jeruzalem een onafhankelijke messiasbelijdende Joodse gemeente op te richten, met de bedoeling de oorspronkelijke gemeente uit het Nieuwe Testament te herstellen.
Hij vertegenwoordigt eigenlijk alle vier de genoemde groepen: zending, ‘Hebreeuwse christenen’, ‘Joods-christelijke gemeenten’ en ‘pioniers’. Onvermoeibaar was hij in de weer om in Palestina onafhankelijke gemeenschappen te stichten, maar de ene na de andere poging mislukte. Vlak voor zij zich uit het land terugtrokken, boden de Britten alle messiasbelijdende Joden de kans het land te verlaten en zich elders te vestigen, maar hij was een van degenen die weigerde mee te gaan. Steeds meer greep hij terug op zijn oorspronkelijke geloof en traditie, kleedde zich, leefde en handelde als een charedi en vond uiteindelijk onderdak in de in 1970 door Joseph Shulam opgerichte gemeenschap Netivyah, waar hij gehoor vond voor zijn poging het geloof in de Messias gestalte te geven in een volledig Joodse context.