maandag 9 mei 2011

Door welke bril lees ik?

Naar aanleiding van de Inleiding van het boek
‘Als dit uit de hemel is… – Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament in hun verhouding tot het Jodendom’ (van Peter J. Tomson)

Niemand leest zonder traditie of ‘canon’. Iedereen leest met een bepaald begrip vooraf. Volstrekte objectiviteit bestaat niet; lezen is altijd interpreteren. In de farizeese wijze van omgaan met de Schriften betekent dat altijd discussie: vergelijken van het gelezene met het begrip dat men vooraf had.

Christenen lezen de Heilige Schriften van Israël en hebben hun hoop gevestigd op de God van Israël. Het essentiële verschil is de belijdenis van Jezus als de Messias.
Dit was in eerste instantie een intern Joods twistpunt, zoals we kunnen lezen in het boek Handelingen. Toch schrijft aan het eind van de 1e Eeuw reeds Ignatius, bisschop van Antiochië, ‘dat het niet aangaat van Jezus Christus te spreken en joods te leven’ (Aan de Magnesiërs). De christelijke belijdenis betekent hier verwerping van het Jodendom; de verwantschap met de Joden wordt hier onderdrukt. Deze opstelling wordt later gemeengoed in de meerderheidskerk.
Dat het Nieuwe Testament zelf anti-Joodse tendensen heeft, wil er bij mij niet in. Wel is men al snel het Nieuwe Testament gaan lezen door een anti-Joodse bril.

‘Auschwitz’ betekent voor velen het morele bankroet van het Europese christendom. Dit houdt tegelijk een positieve mogelijkheid in: een nieuwe hervorming van ons denken; weer op zoek gaan naar de bronnen van het christendom.
Christenen staan te allen tijde voor de keuze: de meerderheid volgen op de weg ten dode of Jezus volgen en blijven bij zijn geloof in de God van Abraham, Izaäk en Jakob die de doden roept tot leven.

Ik ben mij er zeer van bewust, dat ook ik lees met een bepaalde bril. Mijn onderzoek tijdens dit studieverlof dient niet de literaire wetenschap. Ik wens niet mee te gaan in de historisch-kritische benadering van de Schriften; deze wetenschappelijke methode is niet opbouwend voor het geloof en draagt niet bij aan de verkondiging van de Waarheid.
Natuurlijk zijn er verschillen in het Nieuwe Testament. Markus en Johannes zijn niet eenstemmig en de brieven van Paulus en die van Jakobus leggen heel verschillende accenten. Maar de eenheid van de verkondigde boodschap overstijgt de verscheidenheid.
Met grote instemming heb ik gelezen over wat Tomson noemt ‘liturgisch lezen’: In de kerk en in de synagoge leest men de Schriften voor, beide ‘op gezette tijden’, zij het op verschillende tijden. In de liturgische meerstemmigheid klinken harmonieën die in het historisch lezen niet bestaan of niet toegestaan zijn.
Daarnaast heb ik in het kader van dit studieverlof aan een historische analyse geen enkele behoefte.