Toen ik er tien dagen studieverlof op had zitten, onderbrak ik het een aantal dagen voor een begrafenis. Gisteren pakte ik in de loop van de dag de draad weer op.
We waren gebleven bij de "Hebreeuwse christenen", vanaf het midden van de 19e Eeuw. Hun streven was een eigen plaats binnen de Kerk met behoud van de Joodse identiteit. Deze staken zij niet onder stoelen of banken; ze legden veel nadruk op de profetie en Gods blijvende plan met zijn volk; voorts hielden zij zich bezig met typisch Joodse aangelegenheden, zoals strijd tegen antisemitisme en steun aan het zionisme. Verder zetten zij zich in de voor de verkondiging van het Evangelie onder Israël. Tenslotte hielden zij ook eigen bijeenkomsten waarin ze de Seideravond en andere Bijbelse feesten vierden, niet om zich van de Kerk af te zonderen maar om “bij te tanken”.
Vandaag de dag is dat allemaal niet erg indrukwekkend, maar van de helft van de 19e tot de helft van de 20e Eeuw was dat al heel wat, want in de Kerk was er sinds de eerste eeuwen nooit een eigen plek voor Joodse gelovigen geweest.
Andere messiasbelijdende Joden wilden toch een stap verder gaan, omdat de druk tot assimilatie groot bleek. Zij pleitten voor de vorming van afzonderlijke Joods-christelijke gemeenten. De eerste poging daartoe werd reeds in het midden van de 19e Eeuw ondernomen.