maandag 18 juli 2011

Paulus’ verweer voor Festus en Agrippa (3)

Handelingen 26
Paulus begint met te zeggen, dat hij er zeer mee ingenomen is, dat hij de gelegenheid krijgt om zich juist in het bijzijn van koning Agrippa te verdedigen tegen alle aanklachten die door de Joodse leiders tegen hem zijn ingediend, vooral omdat hij zo goed op de hoogte is van al hun gebruiken en onderlinge geschillen.
Volgens 9:15 is Paulus het instrument dat de Heer gekozen heeft om Zijn Naam uit te dragen 'onder alle volken en heersers en onder al de Israëlieten.'
Paulus begint met een kort 'curriculum vitae'. Aangezien zijn leefwijze publiek bekend is, zal het niet moeilijk zijn halachisch betrouwbare getuigen te vinden: sinds zijn vroegste jeugd woonde hij in Jeruzalem en hij staat bekend als een van de strengste Farizeeërs. En nu staat hij nota bene terecht vanwege de hoop op de vervulling van de belofte, door God aan de voorouders gedaan! (vs 6) Terwijl het de Hoop is van de twaalf stammen, d.w.z.: van het ganse volk!
Paulus spreekt autobiografisch over zijn vervolging van degenen die de naam van Jezus van Nazareth verspreidden en hoe hij door Jezus Zelf in de kraag werd gegrepen. Jezus maakte het doel van Zijn ingrijpen aan Paulus bekend en dit wordt hier door Paulus als volgt verwoord: ‘Ik ben aan je verschenen om je aan te stellen als mijn dienaar, opdat je bekend zult maken dat je mij hebt gezien en zult getuigen van alles wat ik je nog zal laten zien. Ik zal je daarbij beschermen tegen je eigen volk en tegen de heidenen, naar wie ik je uitzend om hun de ogen te openen, zodat ze zich van de duisternis naar het licht keren, en van de macht van Satan naar God. Door het geloof in mij zullen ze vergeving krijgen voor hun zonden, en samen met allen die mij toebehoren zullen ze deel krijgen aan mijn koninkrijk’ (vs 16-18). Het idee dat proselieten bevrijd zijn uit de duisternis en het licht bereikt hebben, is een populair motief in oude Joodse bronnen.
Omdat Paulus Jezus’ woorden Goddelijk gezag toekende, aarzelde hij geen moment om te gehoorzamen (vs 19). Paulus benadrukt , dat het getuigenis dat hij sindsdien verkondigt, 'niets anders is dan wat volgens de profeten en Mozes moest gebeuren: namelijk dat de Messias zou lijden en sterven en dat hij als eerste van de doden zou opstaan om aan zijn eigen volk en aan de heidenen het licht te verkondigen’ (vs 22v). Op dat roept Festus uit: “Waanzin!” De verkondiging van de gekruisigde Christus is voor de Joden een aanstoot en is in de ogen van de heidenen ‘dwaasheid’ (1Kor. 1:23); en het idee van een lichamelijke opstanding komt in geen enkele oude religie voor. Festus’ uitroep kan voortkomen uit een afkeer van dit Joodse ‘bijgeloof’. Het idee dat ‘lernen’ tot waanzin zou kunnen leiden is voor Joden ondenkbaar; eerder behoedt het hiervoor!
Paulus zoekt hierop steun bij Agrippa, kenner van het Joodse geloof; die kent de profeten en Paulus neemt aan, dat hij ook goed op de hoogte is van ‘de Weg’. Met zijn vraag: “Koning Agrippa, hecht u geloof aan de woorden van de profeten?” (vs 27) bedoelt Paulus aan te geven: Is het nu echt zo vreemd om op grond daarvan tot de conclusie te komen, dat Jezus de Messias is? Agrippa begrijpt Paulus heel goed: ‘U bent er op uit om mij spoedig christen te laten worden’? (vs 28) (Letterlijk: ‘als christen optreden’, de rol van christen spelen). Het woord ‘christen’ komt in het Nieuwe Testament slechts driemaal voor: in Hnd. 11:26, hier in 26:28 en in 1Pt. 4:16.
De zitting wordt opgeheven. Ze trokken zich terug en overlegden met elkaar. ‘Deze man heeft niets gedaan dat met de dood of gevangenschap wordt bestraft,’ zeiden ze. En Agrippa zei tegen Festus: ‘Hij had al vrij kunnen zijn als hij zich niet op de keizer had beroepen’ (vs 31v). De conclusie luidt dus, dat Paulus en hetgeen hij verkondigt niet staatsgevaarlijk zijn.

Geen opmerkingen: