Handelingen 24
Als de tribuun Claudius Lysias ingelicht wordt over een samenzwering tegen Paulus, laat hij hem van Jeruzalem overbrengen naar Caesarea, waar procurator Felix resideert. Hij schrijft hem (niet geheel naar waarheid), dat hij Paulus heeft ontzet toen de Joden hem wilden vermoorden, ‘omdat ik vernam dat hij een Romeins burger is’ (23:27). Hij is tot de conclusie gekomen, dat de beschuldigingen tegen Paulus betrekking hadden op geschilpunten inzake hun wet; er werd hem niets ten laste gelegd dat met de dood of gevangenschap wordt bestraft. (Zijn visie op de zaak heeft hij niet aan het sanhedrin meegedeeld.) ‘Ik werd er vervolgens van op de hoogte gesteld dat er een aanslag tegen hem werd beraamd, waarna ik hem onmiddellijk naar u heb gezonden. Ook heb ik degenen die hem beschuldigen gelast dat ze hun grieven jegens hem aan u moeten voorleggen’ (vs 29v).
Antonius Felix was procurator van de Romeinse provincie Judea van 52-60 (of 58). Felix was een vrijgelaten huisslaaf van de keizerlijke familie, vermoedelijk van Antonia, de moeder van keizer Claudius. Zijn broer Pallas - eveneens een vrijgelaten huisslaaf van Antonia - was een gunsteling van de keizer en wist gedaan te krijgen dat Felix benoemd werd tot procurator over Judea, een positie die vrij uitzonderlijk was voor een vrijgelaten slaaf.
In de periode dat Felix procurator was, namen anti-Romeinse sentimenten in Judea steeds verder toe. Felix trad hier met harde hand tegen op. Talloze Zeloten werden gekruisigd. Groepen die van samenzwering verdacht werden, werden zonder pardon over de kling gejaagd. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus merkt op: 'Met iedere vorm van wreedheid en lust oefende hij de koninklijke macht uit met de mentaliteit van een slaaf.'
Vijf dagen na Paulus arriveert de hogepriester Ananias in Caesarea, met enkele oudsten en een advocaat, genaamd Tertullus.
De gunstig stemmende openingswoorden van Tertullus, ‘Excellentie, dat wij dankzij u in duurzame vrede leven en dat door uw vooruitziend beleid hervormingen ten gunste van het Joodse volk totstandkomen, erkennen we van ganser harte, en we zijn u daarvoor veel dank verschuldigd’ (vs 2v) klinken gezien de hier direct boven beschreven omstandigheden eigenlijk bijzonder ironisch!
Dan volgt de aanklacht en die luidt: 'dat deze man een ware pest is en dat hij overal ter wereld onlusten onder de Joden veroorzaakt. Als een van de voornaamste leiders van de sekte van de Nazareners heeft hij zelfs een poging ondernomen om de tempel te ontwijden, waarna we hem hebben overmeesterd' (24:5v). Paulus wordt hier behalve als ordeverstoorder ook als een soort verzetsstrijder neergezet. De aanklacht zoals hier geformuleerd is voor de Romeinse machthebber uiteraard van groter gewicht dan ‘geschilpunten inzake hun wet’ (23:29), maar mist elke grond en Paulus (die geen advocaat nodig heeft, Lk. 12:11v) ontkent de beschuldigingen dan ook onmiddellijk. ‘Maar,’ voegt hij eraan toe: ‘Wel wil ik hier verklaren dat ik overeenkomstig de Weg, die zij een sekte noemen, de God van onze voorouders dien en dat ik geloof in alles wat in de Wet en de Profeten geschreven staat; en evenals mijn aanklagers hoop en verwacht ik dat God zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen uit de dood zal doen opstaan’ (vs 14v). In Paulus’ beschrijving is ‘de Weg’ voluit Farizees!
Felix blijkt goed op de hoogte te zijn van ‘alles wat op de Weg betrekking had’ (misschien omdat veel slaven in Rome christen waren???); dat zal betekenen dat hij er geen politiek gevaar in ziet. Hij verdaagt de zitting, waarschijnlijk om tijd te hebben om te bezien wat voor besluit het meest in zijn eigen belang is en houdt Paulus in hechtenis, maar onder een mild regime. Hij wil, in gezelschap van zijn (derde) vrouw, Drusilla, een Jodin, van Paulus meer horen over het geloof in Messias Jezus te zeggen had; maar als Paulus het over het komende oordeel van God heeft, wordt Felix bang; dat is begrijpelijk gezien zijn leefwijze. Lukas vertelt, dat hij Paulus telkens weer laat komen voor een gesprek en intussen hoopt dat Paulus hem steekpenningen zal aanbieden. Zo duurt de situatie voort, tot Felix na twee jaar door keizer Nero vervangen wordt en mogelijk slechts op voorspraak van zijn broer Pallas ontkomt aan een veroordeling wegens wanbestuur. ‘Om de Joden ter wille te zijn’, laat hij Paulus in gevangenschap achter’ (vs 27).
Geen opmerkingen:
Een reactie posten