Handelingen 22, 23
Paulus begint zijn verdediging met het benadrukken van zijn Joodse identiteit en zijn trouw aan de Tora. Hij is een IJveraar (‘zeloot’ in figuurlijke, geestelijke zin) voor de Tora, net als zijn hoorders. Het is heel bijzonder om dit in het bijzijn van de romeinse gezagsdragers te zeggen, die hem niet kunnen verstaan omdat hij hebreeuws spreekt; dat moet bij zijn gehoor wel in goede aarde vallen.
Vervolgens benadrukt hij, dat Ananias een toegewijde Jood was die in de Joodse gemeenschap van Damascus een goede naam had.
De openbaring die Paulus ontving bevat alle elementen die nodig zijn om getuige te zijn: Kennis, Zien en Horen. Het visioen dat hij ontving terwijl hij in de Tempel aan het bidden was (22:17vv) vertoont overeenkomst met de roeping van een Profeet als Jesaja (vgl. Gal. 1:15v) (vgl. Jes. 49:6, geciteerd in Hnd. 13:47).
Hij benadrukt nog eens hoe hij vanuit zijn IJver voor God en Tora eerst ‘de Weg’ vervolgde. En vervolgens hoe hij door God Zelf geroepen werd: “Ga, want ik wil je naar de heidenen sturen, ver van hier” (vs 21). Hierin is wellicht een toespeling te lezen op de roeping van Abram en op Jesaja 66:18v.
Als Paulus zover gekomen is, willen ze niet langer naar hem luisteren en reageren zeer vijandig: ‘Weg met die man! Zo iemand heeft niet het recht om te leven!’ (vs 22) Om aan de benodigde informatie te komen over wat hier toch aan de hand is, wil de tribuun hem laten verhoren onder zweepslagen; hij móet toch wel wat op z’n geweten hebben, dat men zo tegen hem tekeergaat! Zulke marteling was toegestaan bij slaven en bij niet-Romeinen; dat Paulus een romeins staatsburger was, had men kennelijk niet voor mogelijk gehouden.
Omdat de tribuun nauwkeurig wil vaststellen welke beschuldiging door de Joden tegen Paulus wordt ingebracht, laat hij hem de volgende dag uit de gevangenis halen en verordonneert hij dat de hogepriesters en het hele Sanhedrin bijeen moeten komen. (vs 30).
Al is Lysias er op uit om voor zichzelf informatie in te winnen, heeft de samenkomst van het Sanhedrin de sfeer van een gerechtelijk onderzoek. Zo ziet het Sanhedrin het zelf in elk geval wel. Paulus begint met tegen hen te zeggen: ‘Broeders, ik heb een volstrekt zuiver geweten, want tot op de dag van vandaag heb ik mijn leven altijd in dienst gesteld van God’ (23:1); daarop laat de hogepriester (De hier genoemde Ananias bekleedde dit ambt van 47-58?) hem op de mond slaan (vgl. Joh. 18:22!); blijkbaar vindt hij Paulus hem of het hof beledigt; maar al is zijn toespraak misschien heftig en niet geheel volgens de etiquette, dit heeft Paulus niet verdiend; volgens Josephus stonden de Sadduceeën als ‘lomp’ bekend. Paulus wist niet dat hij de hogepriester was (vs 5) (In het jaar 52 braken er onlusten uit tussen Joden en Samaritanen; de toenmalige Syrische gouverneur Quadratus greep in en herstelde de rust; hij was echter van mening dat Ananias zich schuldig had gemaakt aan ernstig geweld en zond hem als gevangene naar keizer Claudius; op voorspraak van Herodes Agrippa II, die op dat moment in Rome verbleef, sprak Claudius Ananias echter vrij van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen; na zijn terugkeer in Jeruzalem nam hij zijn ambt weer op).
Vervolgens besluit Paulus de Farizeeën en de Sadduceeën tegen elkaar uit te spelen, en met succes. (Sadduceeën en Farizeeën lagen met elkaar overhoop op zo ongeveer alle terreinen van de halacha en debatteerden over het gezag van de mondelinge overleveringen en over specifieke Bijbelse voorschriften.)
‘De Sadduceeën beweren immers dat er geen opstanding is en dat engelen en geesten niet bestaan, maar de Farizeeën geloven zowel het een als het ander’ (vs 8).
Een aantal Schriftgeleerden der Farizeeën pleit voor Paulus’ vrijlating, maar er ontstaat zo’n onenigheid in het Sanhedrin, dat de tribuun vreest voor zijn veiligheid.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten