Handelingen 28:16-31
Paulus wordt in Rome niet aan een centurio toevertrouwd, maar aan een gewoon soldaat; hij is geen belangrijke gevangene; de lichte militaire bewaking die hij krijgt, is waarschijnlijk een aanwijzing dat de aanklacht tegen hem als zwak gezien wordt en het bewijs tegen hem als ondeugdelijk. Zijn aanklagers hebben hier geen enkele invloed op het oordeel over hem, men kan alleen afgaan op hetgeen Festus geschreven heeft. Paulus krijgt veel vrijheid en veel ruimte; hij kan mensen ontvangen en onderricht geven.
Al in de 2e Eeuw v.C. wordt melding gemaakt van een Joodse gemeenschap in Rome; later waren er duizenden en die hadden veel invloed in de samenleving. Op initiatief van Paulus heeft hij kort na zijn aankomst een informele bijeenkomst met de Joodse leiders uit Rome. Zijn primaire motivatie schijnt te zijn, dat hij hen ervan wil verzekeren, dat hij geen enkele beschuldiging tegen zijn volk heeft ingebracht, hij is geen verrader geworden; integendeel: “Het is juist omwille van de hoop die Israël koestert dat ik deze boeien draag.” Wellicht zoekt hij juist steun bij hen.
De Joden in Rome hebben uit Judea geen informatie over hem ontvangen, en “niemand van onze broeders” heeft kwaad van hem gesproken. Wel willen ze graag meer horen over Paulus’ denkbeelden, want het is hun bekend “dat de groep waartoe u behoort overal op verzet stuit” (vs 20-22). (Zij beschouwen degenen die in Jezus geloven als een sekte, maar Paulus beschouwt zichzelf nog steeds als een orthodoxe Jood.) Hierop komen vele Joden uit Rome tot hem en spreekt Paulus een hele dag lang uitvoerig met hen over het Koninkrijk van God, terwijl hij hen op grond van de Tora en de Profeten voor Jezus probeert te winnen. Volgens Joden die in Jezus geloven, zul je op grond van de Tora en de Profeten tot de conclusie moeten komen, dat Jezus de Messias is.
Sommigen laten zich door Paulus overtuigen, maar “anderen blijven ongelovig” (vs 23v). Op hen die het Evangelie niet aanvaarden (N.B.: niet op alle Joden) verklaart Paulus de woorden van Jesaja 6:9v van toepassing: “Ga naar dat volk en zeg: ‘Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben. Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen. Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou ik hen genezen.” Paulus plaatst zichzelf in een soortgelijke rol als Jesaja: hij is een profeet die waarschuwt oproept tot bekering. Laten zij weten, dat God intussen deze boodschap van redding aan de heidenen bekendgemaakt heeft!
Er is een schrille tegenstelling tussen het ‘Ja’ van de heidenen en het ‘Nee’ van veel Joden. Maar ook hier is er geen sprake van een 'vervangingsleer', dat de heidenen voor de Joden ‘in de plaats’ komen; integendeel, de tendens van Handelingen en Paulus’ brieven is: ‘eerst de Joden maar ook de heidenen’ (Rom. 1:16v, 2:10v).
Tenslotte vernemen we, dat Paulus in Rome twee jaar (ca. 60-62) verblijft in een huis dat hij zelf gehuurd heeft. Hij draagt boeien en heeft ongetwijfeld huisarrest, maar hij kan daar ieder ontvangen die tot hem komt (Jood of heiden!). Hij verkondigt het Koninkrijk van God en onderricht vrijmoedig over 'de Heer Jezus Messias', zonder dat hem (van overheidswege) iets in de weg wordt gelegd. ‘Ongehinderd’ (akoolutoos) is het laatste woord van Handelingen. Zo had de Heilige Geest het volgens Lukas gepland.
Het boek Handelingen begon met Jezus die veertig dagen lang met de Zijnen over het Koninkrijk sprak en tegen hen zei dat ze zijn getuigen zouden zijn ‘tot aan de einden der aarde’; het boek eindigt met Paulus die twee jaar lang dit Koninkrijk verkondigt in Rome, de hoofdstad van de wereld.
De vraag wat er ná die twee jaar – waarschijnlijk wettelijk de langst toegestane duur van zijn gevangenschap – met Paulus gebeurde, blijft onbeantwoord.
Als de pastorale brieven authentiek zijn, bevatten deze aanwijzingen voor een tweede proces tegen Paulus (2Tim. 3:16v) en zou hij tussendoor nog naar Macedonië (Titus 3:12), Kreta (Titus 1:5) en Klein-Azië (2Tim. 4:13, 20) bezocht hebben. Volgens de traditie is hij onthoofd in het jaar 64 of 68.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten